Meetjesland is een regio met een eerder traditioneel economisch profiel (meer landbouw, nog sterke secundaire sector, veel zelfstandigen), maar met mogelijkheden voor het vernieuwen van zijn economisch weefsel (toerisme, kenniseconomie, …)

Relatief veel landbouwactiviteit in het Meetjesland

De primaire sector zorgt voor 6,1 % van de tewerkstelling, meer dan dubbel als het Oost-Vlaamse gemiddelde. Sint-Laureins is hier de absolute uitschieter met 20,1% tewerkstelling in de primaire sector. Evenwel neemt het aantal landbouwers jaar na jaar af.

Weinig werk in eigen streek

Op het vlak van het werk kunnen verschaffen aan de eigen regionale bevolking scoort de regio Meetjesland dus relatief laag, gezien ze maar voor iets meer dan de helft van de eigen inwoners kan voorzien in plaatselijke jobs. Ondernemende regio met veel zelfstandigen en KMO’s . De 27,1 % ondernemers in de gemeenten (t.o.v. 18,3 % in Oost-Vlaanderen) maken van het gebied een uitgesproken KMO-gebied.

Lage werkloosheid coëfficiënt

Het Meetjesland heeft in vergelijking met Oost-Vlaanderen te kampen met een duidelijk lagere werkloosheid coëfficiënt dan op Oost-Vlaams niveau.

Potenties naar toerisme, kenniseconomie.

Binnen de tertiaire en quartaire sector zijn er groeimogelijkheden voor kennisintensieve bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn toerisme, recreatie en vrije tijd uitgesproken potentiële economische groeisectoren. Beperkte innovatiecapaciteit in de regio, wel sterk aanwezig in het Gentse. Gentse universiteiten, hogescholen en onderzoekscentra zijn vlakbij, maar vinden evenwel onvoldoende ingang, vooral in de kleinere bedrijven.


 

verloop bevolking

Het verloop van de populatie binnen een gemeente van het Meetjesland geeft ons een beeld van de wisseling van deze populatie en is een waardevolle graadmeter voor de betrokkenheid van de burgers bij hun directe omgeving. Toch is vooral de vergelijking binnen het Meetjesland van belang omdat hier een aantal grote verschillen de kop opsteken. Zo is Waarschoot met een verloopgraad van 13,32 % de koploper. Dit wil zeggen dat de bevolking van deze gemeente (theoretisch) elke 7,5 jaar ververst.

Vanuit de implicatie dat de verloopgraad een maat is voor de betrokkenheid van de inwoners, zijn Waarschoot, Eeklo, Knesselare en Lovendegem de gemeenten waar het engageren van de bevolking vanuit een bottom-up methodiek het moeilijkst zal verlopen. De gemeenten waar de verloopgraad het kleinst is, zijn Maldegem, Aalter en Zomergem. Hier kunnen we verwachten dat het initiëren van bottom-up initiatieven het makkelijkst zal verlopen.

Bron: FOD Statistiek en Economische informatie, 2014.

Inkomensniveau

Op het vlak van inkomensniveau voor het aanslagjaar 2012 scoort het Meetjesland iets beter dan het Vlaams gemiddelde, maar net iets onder het Oost-Vlaamse gemiddelde. Binnen het Meetjesland is er een duidelijk verschil tussen de rand rond Gent, met als koploper Lovendegem (112,7), en het noorden van het Meetjesland. Zo ligt het inkomensniveau tegenover Vlaanderen in Sint-Laureins (94,9) en in Knesselare (93,2) een pak lager. Deze behoren tot de gemeenten met het laagste inkomen in Oost-Vlaanderen.

4 Interkwartiele coëfficiënt = (Q3-Q1) / mediaan
Q1 = inkomen dat centrale plaats inneemt tussen het laagste inkomen en het mediaaninkomen mediaan = middelste inkomen in de reeks
Q3 = inkomen dat centrale plaats inneemt tussen het mediaaninkomen en het hoogste inkomen
Het interkwartiel verschil (Q3 – Q1), geeft een idee van de inkomensspreiding rond de mediaan.
Hoe kleiner het interkwartiel verschil, hoe dichter de inkomens rond de mediaan liggen; hoe groter het verschil, hoe groter de spreiding tussen de inkomens. Door het interkwartiel verschil te delen door de mediaan, wordt de spreidingsmaat niet beïnvloed door de hoogte van het mediaaninkomen. Deze verhouding noemt men de interkwartiele coëfficiënt.
Hoe hoger deze coëfficiënt, hoe groter de inkomensongelijkheid.

Aan de hand van de interkwartiele coëfficiënt wordt duidelijk dat de inkomensongelijkheid binnen het Meetjesland laag is. Een uitzondering op de regel is Nevele, die met 118 tot de groep gemeentes behoort met de grootste inkomensongelijkheid van Oost-Vlaanderen.

gemiddeldinkomenkaart

Werkloosheidscoëfficient
Het Meetjesland heeft in vergelijking met Oost-Vlaanderen te kampen met een duidelijk lagere werkloosheidscoëfficient dan op Oost-Vlaams niveau. De werkloosheidscoëfficient geeft de verhouding weer tussen het aantal niet-werkende werkzoekenden1 in verhouding tot de beroepsbevolking tussen 20 en 64 jaar.

1In Vlaanderen wordt het dossier van de werkzoekende, ingeschreven bij de VDAB, als basis genomen. De niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) bestaan uit: werkzoekenden met recht op werkloosheidsuitkering, schoolverlaters, vrij ingeschrevenen (hebben geen recht op een uitkering, zoals bijvoorbeeld werknemers in vooropzeg) en andere verplicht ingeschrevenen (werkzoekenden ten laste van het OCMW, werkzoekenden geregistreerd bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, werkzoekenden in deeltijds onderwijs, van het recht op uitkering uitgesloten werkzoekenden).

Spanningsindicator
De spanningsindicator meet de spanning op de arbeidsmarkt door het aantal werkzoekenden per vacature (zonder interim) weer te geven. In het Meetjesland is er duidelijk sprake van arbeidskrapte, die grotendeels wordt opgevangen door Eeklo en Aalter.

werkloosheidscoefficient

Activiteitsgraad
Ook op het vlak van de activiteitsgraad scoort de regio niet goed, met een cijfer van 0,57 tegenover een Oost-Vlaams gemiddelde van 0,71. De activiteitsgraad is de verhouding tussen de beroepsbevolking (werkenden én werkzoekenden) en de bevolking op 20 tot 64 jaar. Dit duidt erop dat in het Meetjesland een kleinere groep mensen bereid en in staat is om te werken dan op Oost-Vlaams niveau. Anders gesteld, er zijn in verhouding met Oost-Vlaanderen meer mensen die niet werken of niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

Werkgelegenheidsgraad
De werkgelegenheidsgraad of de jobratio is het totaal aantal werkenden (loon- en weddetrekkenden en zelfstandigen) in een bepaalde gemeente (of regio) gedeeld door het aantal inwoners van 20 tot en met 64 jaar in die gemeente (of regio). De werkgelegenheidsgraad toont aan in hoeverre een gemeente erin slaagt om werk te verschaffen. Deze kan in tegenstelling tot de activiteitsgraad sterk verschillen van gemeente tot gemeente. Een typische woongemeente zal een lage werkgelegenheidsgraad hebben, een werkgemeente een hoge. Een werkgelegenheidsgraad die groter is dan 1 betekent dat de stad of gemeente een omvangrijke arbeidsmarkt heeft en een pak werknemers van buiten de stad aantrekt, zoals bijvoorbeeld te Gent. Minder dan 1 betekent dat de gemeentelijke of regionale arbeidsmarkt kleiner is dan het eigen bevolkingspotentieel: er zijn meer inwoners in de leeftijdscategorie 20-64 jaar dan er jobs in de stad zijn. Een typische woongemeente zal een lage werkgelegenheidsgraad hebben, een werkgemeente een hoge.

Op het vlak van het werk kunnen verschaffen aan de eigen regionale bevolking scoort de regio Meetjesland dus relatief laag, gezien ze maar voor iets meer dan de helft van de eigen inwoners kan voorzien in plaatselijke jobs. De werkgelegenheidsgraad in het Meetjesland ligt met 53% duidelijk onder het Oost-Vlaamse niveau (66%). Dat betekent dat een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking “buiten de regio” werkt.

Werkzaamheidsgraad
De werkzaamheidsgraad slaat op het aandeel werkende personen (loon- en weddetrekkenden en zelfstandigen) tegenover de totale bevolking. Ook hierin scoort de regio minder goed dan het Oost-Vlaamse gemiddelde.

activiteits werkzaamheidsgraad

sectorale werkgelegenheid

In detail en per sector bekeken zorgt de primaire, agrarische sector in het Meetjesland voor 6,1% van de tewerkstelling. In vergelijking met de andere sectoren is dit relatief weinig, maar tegenover Oost-Vlaanderen is het aandeel van de tewerkstelling in de landbouwsector meer dan tweemaal zo hoog (6,1% t.o.v. 2,3%). Dit betekent dat de landbouw niet alleen een zeer groot deel van onze ruimte in gebruik neemt, maar in vergelijking met Oost-Vlaanderen ook nog voor veel arbeidsplaatsen zorgt. Dit is vooral het geval in het noorden van het Meetjesland waar in Sint-Laureins de tewerkstelling in de landbouwsector maar liefst 20,1% is. Op deze manier kleurt het Meetjesland duidelijk tot een Landbouw- en plattelandsregio met veel open ruimten.

De secundaire of industriële sector stelt 29,4% van de arbeidspopulatie te werk. Dit impliceert dat de secundaire sector (samen met de primaire) in het Meetjesland beter ontwikkeld is dan gemiddeld in de provincie Oost-Vlaanderen (24,1%). Vervolgens zorgt de tertiaire sector of de commerciële dienstensector met zijn 35,0% voor het grote deel van de tewerkstelling. Hier zien we dat Oost-Vlaanderen hoger scoort met 39,8%. De quartaire sector scoort als werkverschaffer 29,4%. Dit is de niet-commerciële dienstensector, vooral bestaande uit het onderwijs, de lokale besturen, maatschappelijke dienstverlening, gezondheidszorg, cultuur recreatie en sport. In vergelijking met Oost-Vlaanderen (33,8%) scoort het Meetjesland hier beduidend minder goed.

Het uitgebreide zelfstandigenlandschap in het Meetjesland springt in vergelijking met Oost-Vlaanderen in het oog. Oost-Vlaanderen scoort met 18,3% ondernemers op het totaal beduidend lager dan de 27,1% die gehaald wordt in het Meetjesland. We kunnen stellen dat de regio een uitgesproken KMO-regio is, aangezien het aandeel zelfstandige ondernemers 9,2% hoger ligt.

beschikbare arbeidsplaatsen